Archief 2025
Jeroen Olyslaegers – De Wonderen € 27.99
“Mijn waan, dat was het. Mijn waan vrij te willen zijn en daar een prijs voor te moeten betalen had me simpelweg kwetsbaar gemaakt. Dat was het gif.”
De wonderen begint in de baarmoeder van een moeder, van een tweeling die elkaar vasthoudt; de tweeling Amandine (v) en Ambrose (m). De Wonderen, zoals tante Bella hen noemt. Die elkaar vast proberen te houden in hun verdere leven. Daarna gaat het snel over naar de daaropvolgende jaren.
We schrijven 1915, het jaar waarin Ambrose op zijn sterfbed bij zijn tweelingzus ligt. Dan denkt Amandine terug naar hoe het allemaal zo heeft kunnen lopen. 1868, de geboorte van de tweeling, nageslacht dat door moeder allerminst wordt verwelkomd. Moeder voelt zich ge-/misbruikt. Haar ambitie was in het klooster te treden.
“Ze had de hoop gekoesterd dat de moeder van Christus haar zou eren met een verschijning, zodat ze haar leven aan Haar zou kunnen wijden. Dat gebeurde niet. Het lot werd door haar ouders beslist.”
Vader lijkt een krachtige man die de wereld reguleert met zijn macht. Hij – een vrijmetselaar en succesvol bankier – is een van de mannen die bij koning Leopold op bezoek mag komen en hem van advies voorziet. Vader investeert in de rubberindustrie van Congo. Hij is een aristocraat pur sang. Gaandeweg toont vader echter dat hij volgens Amandine niets meer is dan een knecht, een horige in dienst van het geld, ten koste van alles. Bovendien van zijn vrouw. Daar komt Amandine tegen in opstand.
“Buiten het huis kon hij zich alles permitteren, maar binnen de huismuren was hij niet meer dan een bediende van mijn moeders wensen.”
Ze schroomt niet hem dat voor de voeten te werpen. Moeder is een afstandelijke vrouw die niets met haar kroost te maken wil hebben. Zeker niet met haar dochter.
Zowel Amandine als Ambrose streven naar iets anders in hun leven. Zij voeren séances uit, waarbij sommige mensen/vrienden totaal van het padje raken en zij Amandine als een soort medium zien. Ambrose is Merlijn, hij ziet zijn tweelingzus als diens Ganieda. Voor hem blijft het vooral een spel. Amandine krijgt visioenen van hun tante Bella, de vrouw waar de tweeling zoveel fijne vakanties heeft doorgebracht. Voor haar betekenen de séances veel meer dan een spel. Wel degelijk ‘ziet’ ze daar haar tante Bella. Amandine beschouwt die zus van haar vader als ‘moeder’, een rol die haar eigen moeder nooit heeft kunnen vervullen. Ambrose heeft zich juist van Bella afgekeerd.
Vrienden van Ambrose verliezen zich in de séances van de tweeling, van de boodschappen van tante Bella. Ambrose zelf moet niets van die tante hebben. Hij verliest zich in de drank, terwijl van hem verwacht wordt dat hij het bankiersimperium van zijn vader zal overnemen. Intussen krijgt Amandine vooral te horen hoe zij zich volgens haar moeder dient te gedragen – kansloos – terwijl ook Ambrose door zijn vader wordt opgezweept. Vrijheid is hun credo. Saint-Marcq, vriend van Ambrose, is na een van Amandine’s eerste séances geheel in haar greep.
“Christus deelde zijn mannelijkheid met zijn apostelen. Ze aten zijn zaad, zo fluisterde hij. Dat was de ware eucharistie.”
Eén ding heeft de tweeling gemeen: zij voelen elkaars leed, een soort telepathische gewaarwording (cliché? Hier allerminst). Ondanks dat Amandine over ‘de gaven’ bezit, séances organiseert waar mensen wild enthousiast op afkomen, verwijt Ambrose haar later dat zij haar toneelspel te lang heeft volgehouden. Maar is het wel een toneelspel? Wat hen bovenal bindt: de zucht naar vrijheid. In die zin verraadt Amandine haar tweelingbroer door te trouwen met Robert, een telg uit een bankiersgeslacht, die besluit zijn geluk te zoeken in de rubberoogst in Congo. Daarbij komt de uitbuiting van de lokale bevolking ter sprake, alles om maar zoveel mogelijk geld te persen uit de regio. Gruwelijke misstanden komen uiteindelijk aan het licht in (inter)nationale kranten. Robert houdt voet bij stuk: zij zijn er om ‘die wilden’ op te voeden, hun beschaving bij te brengen.
Toen Amandine haar toekomstige echtgenoot Robert ontmoette, leek hij de meest vrijzinnige persoon die zij zich kon wensen. Helaas blijkt dat allerminst het geval. Na een slippertje wordt zij verbannen, terwijl Robert al jarenlang een frequent bezoeker van bordelen is. Tja, je bent nu eenmaal een vrouw… Hun zoon Louis – die de gave van Amandine heeft geërfd – wordt haar ontnomen, Amandine wordt opgesloten.
De Wonderen is een roman over vrouwenemancipatie. Daarnaast is het een aanklacht tegen de kolonisatie van Congo en tegen doorgeslagen kapitalistisme.
“Democratie draait op geld, niet op eisen om meer rechten. Wie dat cynisch acht, verraadt de realiteit of is naïef.”
Is het tegenwoordig anders? De Wonderen is een roman over opstand, over een kansloze missie. Of zijn wij te cynisch geworden? Vrijheid zal Amandine uiteindelijk vinden:
“In deze lente van 1915 houden de merels niet op met zingen.
De kanonnen bulderen in de Westhoek.
Niets schiet er nog over van de rust van weleer.
Buiten wat er in mijn ziel nog heerst.
Dat zal ik altijd een wonder blijven noemen.
Het is mijn vrijheid.”
Olyslaegers beschrijft het leven in Antwerpen van 125 jaar geleden op prachtige wijze. Vergeet recensies zoals die in De Volkskrant – “de stad vol bordelen,” et cetera. Die bedrijven zijn er, maar het heeft als functie de couleur locale weer te geven. Nergens is er sprake van platte seks. De Wonderen is een intrigerend boek over de dappere strijd van een vrouw die alles heeft om te verliezen. En die ondanks dat volledig haar eigen gang gaat.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, januari 2026
Ocean Vuong – Keizer van Gladness € 23.99
2009, (East) Gladness, Connecticut. De negentienjarige Hai is ontslagen uit een afkickkliniek – terwijl zijn moeder denkt dat hij in Boston studeert – en ziet het leven niet meer zitten. Als hij op het punt staat van een hoge brug in een rivier te springen, roept iemand aan de overkant van het water hem toe het niet te doen en naar haar te komen. Deze bejaarde Grazina woont alleen in een groot, vervallen huis. Daar spreekt ze hem vermanend toe:
“‘Je kunt niet voor mijn huis doodgaan, begrepen? Ik heb geen behoefte aan nog meer geesten hier.’”
De twee raken in gesprek. Grazina blijkt een Litouwse weduwe die lijdt onder een oorlogstrauma (zowel Stalin als Hitler). Ze heeft twee kinderen, Lina, docente Engels als tweede taal, en Lucas, wetenschapper. Lina is alcoholiste, Lucas wil niets met zijn verpauperde moeder te maken hebben en schaamt zich voor haar.
“‘Het zou fijn zijn om iemand in de buurt te hebben. Ik word dit jaar namelijk tweeëntachtig en …’ Haar stem stierf weg en ze sloeg haar ogen neer.”
Hai, met een schuldgevoel richting zijn eigen moeder die hij nooit bezoekt, besluit gehoor te geven aan Grazina’s verzoek; hij trekt bij haar in en fungeert vanaf dat moment als mantelzorger.
Via zijn twee jaar jongere, autistische neef Sony krijgt hij een baantje bij fastfoodrestaurant HomeMarket. Na zijn shifts maakt hij eten klaar voor Grazina en hemzelf. Hij doet haar in bad en zorgt dat zij op tijd haar pillen inneemt. Al snel vormen de twee een team. Op heldere momenten wijst Grazina de jongen op de goede kanten van het leven, geeft ze hem advies; op slechte momenten speelt Hai mee met de oorlogswanen die regelmatig terugkeren bij de oude vrouw. Dan is hij Dr. Pepper, een Amerikaanse sergeant op wie de zeventienjarige Litouwse al haar hoop heeft gevestigd.
In de HomeMarket werken vooral verschoppelingen zoals Sony die bezeten is van de Amerikaanse burgeroorlog, Wayne de kippendraaier, Russia van het drive thru loket met het gehavende gezicht en Maureen, de vrouw op leeftijd met kapotte knieën. Het geheel wordt gemanaged door een boom van een Cubaanse vrouw, amateurworstelaar BJ, met het hart op de goede plaats. Het is een hecht team dat alles voor elkaar over heeft en elkaar waar mogelijk steunt. Er lijkt een evenwichtige situatie te zijn ontstaan in het leven van Hai, ondanks het feit dat hij inmiddels uit de pillenvoorraad van Grazina snoept. Als met kerstmis een etentje bij Lucas uit de hand loopt en Sony op zoek wil naar zijn vader, wordt Hais leven echter volledig op zijn kop gezet.
Ocean Vuong (Ho Chi Minh, 1988) put ook voor deze roman uit zijn eigen leven. Zijn moeder is nagelstyliste, evenals de moeders van Hondje uit zijn prachtige debuut Op aarde schitteren wij even en die van Hai. Zowel Hondje als Hai groeien op in Hartford, Connecticut, de plaats waar ook Ocean is opgegroeid. Alle drie zijn zij homofiel, iets wat niet meer geaccepteerd wordt in de Vietnamese gemeenschap sinds zij onder Frans bestuur kwamen (zie Op aarde). Evenals Hai studeerde Ocean kortstondig in New York City (Hai vertelde zijn moeder dat de studie niets voor hem was, hij “moest te veel lezen”, en dat hij liever medicijnen in Boston ging studeren). Vietnamese vluchtelingen verwachtten dat hun kinderen de kansen die zij kregen met beide handen zouden grijpen. Dat hun kroost gebruik zou maken van de mogelijkheden die zij zelf niet hadden gehad. “Jij bent mijn tweede kans.” Zowel Hondje als Hai weten niet aan die hoge verwachtingen te voldoen.
De keizer van Gladness is misschien minder overweldigend dan Op aarde, maar Vuong heeft weer een dijk van een roman geschreven.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, december 2025
William Faulkner – As I lay dying € 19,99
Einde negentiende eeuw. Terwijl Addie Bundren op sterven ligt, ziet ze haar zoon Cash, timmerman, haar kist maken. Een van de weinigen die haar in de doodsstrijd continu bijstaat is dochter Dewey Dell. Zij wuift haar koelte toe. Lievelingszoon en probleemkind Jewel – “the one she had always cherished” – heeft geen tijd om afscheid te nemen van zijn moeder, want hij kan op hetzelfde moment met een klusje drie dollar verdienen. Daarbij is de hulp van ‘queer’ broer Darl onmisbaar. “I always say it ain’t never been what he done so much or said or anything so much as how he looks at you.” Zij komen dan ook te laat weer thuis en moeder heeft haar laatste adem reeds uitgeblazen.
Echtgenoot Anse heeft Addie ooit weggevoerd uit haar geboorteplaats Jefferson, Mississippi. In haar nieuwe oord, afgelegen bovenop een steile heuvel, heeft zij nooit kunnen aarden. Daarop heeft Anse beloofd haar in haar geboortegrond te begraven, mocht het zover komen. Nu is het moment daar en de familie gaat op stap, vergezeld van een wagen met de kist, getrokken door twee muilezels. Tot overmaat van ramp is het waterpeil van de Mississippirivier ten gevolge van overvloedige regenval zo’n vijf meter gestegen én zijn de twee nabije bruggen over die rivier door de stroom verwoest of meegesleurd. Jefferson ligt echter aan de overkant en Anse wil zich aan de belofte aan zijn vrouw houden.
“I give her my word,” Anse says. “It is sacred on me. I know you begrudge it, but she will bless you in heaven.”
Tijdens de tocht gaat er van alles mis. Steeds meer gieren zweven hoog in de lucht boven het spektakel. Tragisch, maar vaak ook hilarisch (of klinkt dit als leedvermaak?). As I lay dying (1930) is pittig, mede door het slang Amerikaans, het dialect uit het zuiden. Het is werken, maar na zo’n vijftig pagina’s begint het genieten van deze tragikomedie. Sommige wijsheden uit het boek zouden zo maar op een tegeltje kunnen. Zoals Addie op een gegeven moment opmerkt:
“I could just remember how my father used to say that the reason for living was to get ready to stay dead a long time.”
De dood van Addie en de gevolgen daarvan worden verteld vanuit vijftien verschillende perspectieven. Vooral in de eerste hoofdstukken moet je af en toe terugbladeren om te lezen wie wie ook weer was. Je kunt erover twisten of de dood of de onderlinge relaties tussen de familieleden centraal staan in deze vijfde roman van William Faulkner. En die slang? Dat went. Soms moet je gewoon maar accepteren dat je niet ieder woord letterlijk kunt thuisbrengen. As I lay dying wordt in veel schrijfboeken aanbevolen. Er zijn weinig boeken waaruit je kunt leren hoe het werkt vanuit verschillende perspectieven te schrijven. Voor een aankomend auteur is het verhaal ook daarom waardevol.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, december 2025
Margriet de Moor – De kegelwerper € 12,50
“Charles Puut, een achterbaks sujet dat ooit een meisje heel dicht naar zich toe had gehaald om haar daarna als een hobby weer af te schaffen, arriveerde tegen zessen bij het pension.”
Met deze eerste zin word je direct De kegelwerper ingetrokken. Amsterdam jaren vijftig van de vorige eeuw. In pension Rembrandt, gelegen aan een Amsterdamse gracht, verblijft een ratjetoe aan artiesten. Zij treden op in meer of minder bekende theaters en cafés. Goochelaar Puut – “hij voelde als alle onoprechte mensen soms heel gauw een vluchtig berouw” – is gefascineerd door kegelwerper Peter Newton. Die moet echter niets van hem hebben. Op allerlei manieren probeert Puut diens affectie te winnen, wat hem slecht afgaat. Minna Bolyn, de hospita, kan het weinig schelen. Voor haar zijn alle pensiongasten even dierbaar.
“Minna Bolyn behoorde tot het slag mensen dat weet dat er geen indiscrete vragen bestaan, alleen indiscrete antwoorden.”
Zij observeert haar clientèle, biedt af en toe een luisterend oor, zorgt voor ontbijt. Zij accepteert iedereen, met diens/dier eigenaardigheden. Met de spanning tussen Puut en Newton bemoeit zij zich niet.
Bij Charles Puut groeit de verontwaardiging dat Newton hem niet serieus neemt, dat deze al zijn toenaderingen wegwuift en negeert. Daarop onderneemt hij actie. Allereerst schaakt hij de Poolse Daisy die duidelijk met Peter een relatie heeft. Als dat niet helpt, gaat hij tot drastischer maatregelen over, waar hij niet zonder kleerscheuren vanaf komt.
In De kegelwerper speelt Margriet de Moor met intermenselijke relaties en hun zwakheden. Zij toont hoe laag een mens kan vallen vanwege het kleinste ongemak. De kegelwerper is een heerlijk boek om te lezen, waarin je zomaar mensen om je heen kunt herkennen.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, november 2025
Peter Buwalda – De Jaknikker € 35.00
Zes jaar na Otmars zonen is-ie er dan eindelijk, het langverwachte vervolgdeel. Ludwig Smit weet inmiddels wie zijn vader is, Johan Tromp, CEO van Shell. Om zijn vader – die geen weet heeft van hun bloedband – beter te leren kennen, solliciteert hij als diens tassendrager. Daarvoor verhuist hij naar Sakhalin Island van waaruit Tromp het olieconcern aanstuurt. Ook onderzoeksjournalist Isabel Orthel geeft weer acte de présence en zet haar strijd tegen de olie-industrie en meer specifiek tegen Tromp voort.
Naast de Vatersuche speelt het verhaal van wonderkind Dolf Appelqvist, meesterpianist. De beroemdheid wordt gemanaged door zijn stiefmoeder, Ulrike Eulenpesch (“Mutti”, zoals Dolf haar noemt). Ulrike is de moeder van Ludwig, ooit bezwangerd door Tromp. Dolf is Ludwigs een jaar jongere stiefbroer. Hij zou een onbekende pianosonate van Ludwig van Beethoven in bezit hebben en probeert daar zoveel mogelijk geld uit te slaan. Middels een documentaire over zijn leven zal hij de interesse voor dit werk tot ultieme hoogte opstuwen.
Evenals in Otmars zonen vlieg je door de pagina’s, al zijn sommige passages wat erg uitgesponnen. Maar dan strooit Buwalda weer met heerlijke vondsten. Bijvoorbeeld over de miskraam van Anne-Jet, Tromps dochter, waarbij ze de vrucht uit haar ontlasting vist en er haar partner Raymond mee verrast:
“De vorige afgebroken zwangerschap had Ray op de vlucht doen slaan, Anne-Jet was van de wc gekomen en had – compleet door het lint, gaf ze later toe – een nat kleddertje in Raymonds hals gesmeten. De mossel was onder zijn bovenkleding gegleden, waarop een paniekerige zoektocht volgde…”
Of:
“Voor de zekerheid, tegen heug en meug, trok hij zich af. De prik kon maar beter uit de fles zijn.”
Op zeker moment komt Barbara in beeld, de zwarte vrouw van Johan Tromp. Zij bouwt een goede band op met Ludwig en vraagt hem of hij het manuscript zou willen lezen waaraan zij werkt. Met boem paukenslag wil zij de literatuur binnendringen. Om haar 1000 pagina’s tellend debuut zal niemand omheen kunnen. En dan gaat het mis.
Vanaf pagina 456 – let op de paginering, een kunstje dat de schrijver toepast – verschijnt er ineens vetgedrukte tekst. Het blijkt het verhaal van Barbara te zijn. Buwalda hanteert het Droste-effect.
“Enerzijds is er een boek dat zich specifiek tot mij richt, alsof ik een persoonlijke brief aan mezelf zit te schrijven.”
En dat gebeurt ook. Barbara blijkt alles over Ludwig te weten, zelfs zaken die in de toekomst spelen heeft zij in haar manuscript vermeld.
Als reden dat De Jaknikker zo lang op zich liet wachten, zegt Buwalda dat hij op zeker moment een gouden inval kreeg en een groot deel van zijn eerste versie heeft weggegooid. Hij had het licht gezien, het moest helemaal anders. ‘Het verhaal van Barbara wordt de echte wereld,’ aldus Buwalda bij een optreden in Rotterdam. In meer of mindere mate is zij de personificatie van de schrijver zelf. ‘Als ik me had vastgehouden aan de eerste versie, was het boek ongeloofwaardig geworden.’ Dus past hij de Barbara-truc toe en laat hij haar zelfs schrijven:
“Je mag toch hopen dat ze de bloedschande eruit laat. Te ongeloofwaardig voor in een roman. Te geforceerd, te absurd. Doe het niet. Spaar mij, spaar ons.”
Had hij dat maar gedaan. Zijn grootste angst, zo vertelde hij, is de vergetelheid. ‘Ik wil de vergetelheid ontlopen, niet dat mijn boek na verschijning als water loopt door een zeef.’ De kans daarop is groot. Of, zoals John Maxwell Coetzee zijn publiek onlangs in Den Haag voorhield: ‘Hou vast aan je eerste versie, de tweede is altijd minder.’
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, november 2025
Hiromi Kawakami – Under the Eye of the Big Bird € 15.99
In de verre toekomst is de mensheid zoals wij die nu kennen gedecimeerd tot enkele geïsoleerd levende groepen onder leiding van de Moeders. Honderden jaren geleden was er sprake van landen. Zo heette de regio waar het verhaal zich afspeelt vroeger Japan. In dat verre verleden kregen mensen nakomelingen die voor 100% uit mensengenen bestonden. Hoe anders is dat nu. In de huidige tijd worden baby’s in fabrieken geproduceerd, waarna ze ondergebracht worden bij een Moeder. De kinderen komen voort uit de cellen van dolfijnen of muizen bijvoorbeeld, Moeders worden gekloond.
“I discovered the Mothers didn’t have feelings like humans did. I could sense their minds moving, but there was very little that might be called emotion. They had relative sensations, like cold and warm, dark and light. But the subtler, projective sensations like sadness, envy, jealousy, or hate were absent from them.”
De meeste mensen gaan zonder naam door het leven en worden getypeerd door het huisnummer van hun Moeder. Een klein deel van de fabrieksproductie bestaat uit observatoren. Zij controleren de regio’s en begeven zich soms op reis naar andere regionen, waarbij zij omzichtig te werk gaan. Je weet nooit of je op een groep stuit die je vijandig gezind is. Daarnaast decimeren catastrofes en andere factoren de bestaande populaties.
Sommige zaken uit de 21e eeuw zijn onveranderd. Zo zijn er mensen die worden gefabriceerd om bepaalde taken uit te voeren. Er staan mensen op die mensen uit hun omgeving onderdrukken, mensen die zich verheven voelen boven ‘het pleps’.
“You’re a very human human. You create things, and you destroy more than you create.”
Under the Eye of the Big Bird is een roman over de teloorgang van de mensheid zoals we die kennen. Tegelijkertijd is het een gedachtenexperiment over wat ons mens maakt.
Hiromi Kawakami werd in 1958 in Tokyo geboren. Na haar studie natuurwetenschappen doceerde zij een aantal jaren biologie. Haar eerste werk bestond voornamelijk uit science fiction. Zij debuteerde met literaire fictie op 36-jarige leeftijd en is inmiddels een van de bekendste hedendaagse Japanse auteurs. Meerdere prijzen won zij met haar romans. Under the Eye of the Big Bird stond op de shortlist van de International Booker Prize 2025. Terecht.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, oktober 2025
Edzard Mik – Damian € 24.99
“Als Damian zijn moeder ergens mee associeert, dan is het wel met harde wind, wind die nooit zal luwen en voor altijd door hem heen zal blijven gieren alsof hij uit niets dan kieren en gaten bestaat.”
Dit is de derde zin van de eerste pagina van Damian (2025) van Edzard Mik. Daarmee zet de schrijver de relatie tussen de protagonist en diens moeder direct op heldere wijze neer. Zus Tess zet hem echter voor het blok: zij moet op zakenreis naar de VS en kunstenaar broer Tom, die nog altijd bij zijn moeder woont, is niet in staat voor haar te zorgen. Damian, zoon van een rechter en een moeder die een goede functie bij de bank vervulde, wordt door ma beschouwd als een mislukkeling. Als jongerenwerker vergooit hij zijn talenten volgens haar. Er is nauwelijks plaats in het flatje van Damian en zijn partner Bianca. Die laatste laat hem duidelijk merken dat ze niet bepaald zit te wachten op haar schoonmoeder. En is zij wel dementerend, zoals Tess beweert?
Damian probeert de ontstane situatie te ontvluchten door zich op zijn werk te storten. De tieners hebben allemaal iets op hun kerfstok, een aantal is/was drugsverslaafd. Damian probeert zich – tevergeefs – in hun wereld te voegen, hij wil erbij horen. Hun straattaal verrast hem (en de lezer) regelmatig. Boefjes zijn het, al blijkt dat ook zij een klein hartje hebben. Vooral aan Sem is de jongerenwerker gehecht. Moederlief verneemt de grenzen waar de jongens tegenaan lopen en treedt kordaat op, tot verbazing van Damian zal zij hen met behulp van haar vroegere contacten helpen. De opluchting die de jongerenwerker voelt, wordt echter teniet gedaan wanneer hij de jongens tegen alle regels in bij zijn eigen problemen betrekt, met alle gevolgen van dien.
Mik schetst het karakter van Damian via de handelingen die hij (niet) uitvoert. Hij blijkt een bangige, naïeve jongen. Is goeddoen voor de betrokkenen wel het meest effectieve? Werkt hij zichzelf ermee niet in de nesten? Naast de protagonist portretteert Mik de dementerende ouder op meesterlijke wijze door middel van haar gebaren, haar expressie en haar vaak onverwachte gedrag. Ondanks de originele metaforen en soms lange zinnen is Damian een ware pageturner.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, oktober 2025
S.van den Bergh – Deportaties €14.99
Siegfried van den Bergh (1912 – 2000) publiceerde Deportaties in het najaar van 1945. Het is een verslag van de tijd die hij in concentratiekampen doorbracht, respectievelijk in doorgangslager Westerbork, daarna Theresienstadt van waaruit hij naar Auschwitz werd doorgestuurd (nadat de propagandafilm voor het Rode Kruis er was gemaakt; echtgenote Henriëtte had ervoor gezorgd dat Theresienstadt eruit zag als een soort ideaal woonoord) en tot slot naar het nabij Auschwitz gelegen Gleiwitz. Vooral dankzij zijn zwager Gerard Levy, internist uit Amsterdam, heeft hij de laatste twee kampen overleefd.
Direct na publicatie van het boek kreeg Van den Bergh stevige druk vanuit de maatschappij te verduren. Enerzijds vanuit de hoek van Nederlanders die tijdens de oorlog een bedenkelijke rol hadden gespeeld en zichzelf verrijkt – Van den Bergh riep op onderzoek te doen naar de herkomst van hun rijkdom – anderzijds vanuit Joodse hoek. Hij zou zich antisemitisch opstellen. Van den Berg noemde man en paard, ook Joden die als verlengstuk van de SS dienden; naam en toenaam. Daarmee zou hij lezers de indruk geven dat Joden inderdaad laaghartige mensen zijn.
“Ik durf dit alles te schrijven, omdat ik vertrouwen heb in het gezond verstand van de Nederlanders die mij juist zullen willen interpreteren en zullen willen begrijpen, dat ik over individuen spreek en niet generaliseer.”
Dat had hij dus verkeerd gezien. Het boekje vond dan ook nauwelijks aftrek na publicatie.
Van april 1941 tot april 1943 werkte Van den Bergh in verschillende functies voor de Joodse Raad. Van zeer nabij ervoer hij hoe de Raad werd ingepakt door de bezetter. Vooral de naïeve professor – of veinsde hij dat slechts teneinde zijn eigen gezin veilig te stellen? – Cohen en diamanthandelaar en voorzitter van die Raad Abraham Asscher moeten het ontgelden. “Houd je goed, je bent jong en gezond, het is alleen voor werk, zoals je weet.” Dat zijn de woorden waarmee Cohen in september 1944 afscheid neemt van Van den Bergh als deze vanuit Theresienstadt op transport naar Auschwitz wordt gezet.
“Steeds hebben de voorzitters hun sussende en geruststellende woordjes over de naar het oosten stromende Jodenheid uitgestort, een soort deskundigheid voorwendend die onder de gegeven omstandigheden belachelijk en misdadig was.”
De auteur is bijzonder kritisch op de mensen die het mogelijk hebben gemaakt dat slechts 2% van hen die naar Polen werden afgevoerd de oorlog hebben overleefd. Ook over kamp Westerbork doet hij een boekje open: uit Duitsland gevluchte Joden werden grotendeels door de Joodse gemeenschap in Nederland opgevangen. Een aantal vluchtelingen vond geen onderdak. Zij genoten een kwalijke reputatie en belandden in kamp Westerbork dat daartoe in 1939 in gereedheid was gebracht. Deze Alte Kampinsassen (AK’s) genoten allerlei voordelen ten opzichte van de Nederlandse Joden die in het kamp arriveerden. Hun moedertaal was Duits, zij waren inmiddels geacclimatiseerd. Van de SS kregen zij de beste baantjes toegewezen, de wreedste ook, waarmee zij een soort uitvoerende macht van diezelfde SS werden. Het is wrang dat de overlevenden uit Westerbork vooral uit AK’s bestonden.
Van den Bergh heeft mazzel als hij vanuit Westerbork, samen met echtgenote Henriëtte, naar Theresienstadt wordt gestuurd. Dat is geen Vernichtungslager. Dit kamp is een van de minst slechte opties. Uiteindelijk zal hij ook daar moeten vertrekken en wordt hij gescheiden van zijn vrouw (zij gaat naar Sobibor). Het is een wonder dat beiden de gruwelijkheden hebben overleefd. Het is bijzonder dat Van den Bergh zo snel na terugkeer zijn ervaringen droog, recht voor zijn raap, aan het papier heeft toevertrouwd en het zegt veel over de maatschappij in die jaren hoe daarop werd gereageerd. Deportaties is een verslag dat eenieder tot zich zou moeten nemen, ‘opdat het niet weer gebeurt’ (die makkelijk uitgesproken woorden, die blijkbaar vergeten worden zo gauw zij de mond verlaten).
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, september 2025
Kevin Barry – The Heart in Winter € 14,95 (Nederlandse editie € 22.99)
Als David Mitchell een boek aanbeveelt met de krachtige quote ‘Holy damn, it’s good!’ dan kan het niet tegenvallen. Wel is het even wennen, al het gebruik van slang en metaforen die wij in het Nederlands niet kennen. De Bezige Bij heeft met Het hart in de winter een Nederlandse vertaling uitgegeven.
Butte, Montana; 1891. In de arme Ierse gemeenschap probeert de negenentwintigjarige Tom Rourke als dichter te overleven. Daarnaast schrijft hij (liefdes)brieven voor analfabeten op zoek naar een partner. Het bestaan is hard, de levensomstandigheden zijn barbaars. Wat niet helpt is Toms verslaving aan opium en drank. Van alle kanten wordt hij door schuldeisers op de hielen gezeten.
“He wrote songs for the bars and letters for the lonesome. …he knew now that fate would soon arrest him.”
Met deze cliffhanger geeft Barry aan dat de lezer geen happy end hoeft te verwachten, ook al lijkt het tij voor Rourke te keren als hij de eenendertigjarige Polly Gillespie weet te schaken. Stikverliefd zijn de twee op elkaar en niet eerder hebben zij zich zo gelukkig gevoeld al hebben zij allebei hun schaduwkanten. De knappe Polly uit Chicago is juist in het huwelijk getreden met kapitein Anthony Harrington, een godsdienstwaanzinnige die zichzelf dagelijks letterlijk geselt. Nadat Tom het pension waar hij onderdak had gevonden in brand heeft gestoken, 600 dollar heeft gejat evenals een palomino paard, vluchten de twee richting Californië. Beiden hebben geen flauw idee van de te volgen route en zijn de bittere omstandigheden buiten de stad niet gewend. Het is december, het vriest dat het kraakt en de sneeuw ligt kniediep. Daarbij moeten zij ook nog eens de posse die hen achtervolgt voorblijven. Uiteindelijk zal slechts een van de twee de barre tocht overleven.
The Heart in Winter is een heerlijke schelmenroman, door vele toonaangevende Engelstalige kranten uitgeroepen tot Book of the year. ‘Bloody brillant,’ zoals ook auteur Max Porter schrijft.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, augustus 2025
Friedrich Hlawatsch – Gekooid € 22.99
Als je hem tegenwoordig door Amsterdam ziet fietsen, op zijn degelijke oude ros, zou je denken dat er een oud-notaris langskomt. Of toch een voormalig museumdirecteur? Ja, aan zijn subtiele kledingstijl is een creatieve achtergrond waarschijnlijker. Friedrich Hlawatsch was/is muzikant, produceerde muziek voor de VPRO en schreef meerdere liedteksten. Goede keuzes maken was niet zijn sterkste kant. Zo verliet hij, de zanger, het ‘bandje’ van Ernst Jansz en werd vervangen door zanger Henny Vrienten. Hij wilde uitbreken uit ‘het systeem’, ofwel een burgerlijk bestaan waarin alles van tevoren lijkt bepaald. De rest is geschiedenis. Ook eind jaren zeventig van de vorige eeuw maakte hij een keuze die hem tot op de dag van vandaag heugt. Daarover schreef hij de autobiografische roman Gekooid.
Hlawatsch (1947) groeit op in Noord-Limburg. De zeventiger jaren bepalen zijn coming-of-age: vrijheid, gelijkheid en vooral broederschap met alle op dat moment beschikbare drugs. Als non-conformist besluit hij uit ‘het systeem’ te breken. Echter, zonder dat systeem rest je niets dan een droge boterham, zelfs als je als (straat)muzikant een aardig centje verdient. Als in Ibiza zijn oog valt op het verwaarloosde zeiljacht Laer-Mor, is een vriend hem behulpzaam door hem geld te lenen voor de aankoop. Daar staat echter wel iets tegenover: hij moet het schip op verzoek afstaan voor hasjtransporten. De eerste tocht zal hij zelf maken. Je voelt het al aankomen: in juli 1980 gaat het mis. Een krukas breekt op de terugweg naar Nederland en het schip moet aanmeren in Portugal voor een nieuw exemplaar. Ondertussen ligt er wel 650 kilogram hasjiesj aan boord. Zijn opdrachtgever blijkt al langer door Interpol te worden geschaduwd en de boel wordt in beslag genomen door de Portugese politie. Het is hun grootste drugsvangst ooit.
Hlawatsch wordt opgesloten in een complex met meerdere vleugels. Het is er ronduit smerig, er heerst continu lawaai, men verblijft met tientallen in één ruimte. Bovendien is het er gevaarlijk. Door middel van de Nederlandse ambassade maar misschien nog wel meer dankzij een brief van zijn platenmaatschappij wordt Hlawatsch overgeplaatst naar sector E, de beste vleugel van het complex. Slechts twee man in één cel. Hier staan de celdeuren dag en nacht open, wat overigens niet direct een voordeel is als je je wilt concentreren op (liedteksten) schrijven. Hij ontmoet snuiters van allerlei allure. Ontsnappingspogingen worden beraamd, die hem uiteindelijk duizenden dollars kosten, zonder resultaat. Tot en met dag 288 houdt hij een dagboek bij, waarvan in Gekooid het relaas. Daarna houdt hij er, moedeloos, murw geslagen, mee op de dagen te tellen.
Eindelijk, in juli 1981, houdt de openbare aanklager zijn requisitoir. Niet veel later wordt hij veroordeeld tot vijfenhalf jaar gevangenisstraf. Dankzij een bezoek van de paus aan Portugal, krijgen alle gevangen een half jaar gratie. En bij goed gedrag kan er nog eens de helft af gaan. Bijkomstig gevolg van de veroordeling is dat hij naar een lichter regime wordt overgeplaatst in de gevangenis van Sintra. Dat kan zijn gevoel van somberheid en uitzichtloosheid niet onderdrukken. Brieven van onder andere Ernst Jansz houden hem op de been. Op zeker moment ontvangt hij post van ene Henny Vrienten, “omdat de leden van onze band Doe Maar het zo vaak over jou hebben.” Ernst Jansz steunt Friedrich waar hij maar kan en brengt hem zelfs een bezoek.
Als hij eenmaal terugkeert naar Nederland, is hij tot inkeer gekomen: ‘het systeem’ is toch zo slecht nog niet. Zonder dat systeem was zijn situatie veel erger geweest.
Gekooid is een ware pageturner, waarin de auteur het leed voor de lezer behapbaar heeft gemaakt. Reken maar dat de ruim twee jaar die hij daar opgesloten zat, begin jaren tachtig van de vorige eeuw, gruwelijker waren dan dat hij ons doet voorkomen. En dat is maar goed ook!
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, juli 2025
Saul Bellow – Humboldt’s gift € 16.95
Twee jaar nadat zijn ouders vanuit St. Petersburg naar Lachine, Quebec waren geëmigreerd, werd Solomon Bellows – Saul Bellow – op 10 juni 1915 geboren. In 1924 verhuisde het gezin naar de Humboldt Park buurt in West-Chicago. Humboldt’s gift verscheen in 1975, een jaar voordat Bellow de Nobelprijs voor Literatuur kreeg toegekend. Het centrale thema van het boek is het afnemend belang van kunst in de maatschappij ten koste van dat van geld/macht.
Charlie Citrine is een groot bewonderaar van de dichter Von Humboldt Fleisher, wiens ster schittert in het Amerikaanse cultuurlandschap. Ook Charlie pakt de pen ter hand. Terwijl de roem van Von Humboldt tanende is en hij langzaam maar zeker aan de bedelstaf raakt en in een psychiatrische inrichting belandt, beleeft Citrine het ene succes na het andere. Met name nadat zijn toneelstuk Von Trenck een enorm succes is op Braodway, stroomt het geld met bakken tegelijk binnen. Von Humboldt verwijt Charlie dat deze zijn – Von Humboldt’s – persoonlijkheid heeft gestolen. Von Trenck zou op Fleisher zijn gebaseerd. Hij verbreekt alle banden met zijn jongere protegé, tot verdriet van Citrine.
In tegenstelling tot zijn broer Ulrick, een succesvolle projectontwikkelaar, weet Charlie niet met geld om te gaan. Ook in relaties is hij niet gelukkig en als hij gaat scheiden van zijn vrouw Denise, probeert zij hem volledig kaal te plukken. Wanneer dan ook de lokale maffia in de vorm van Ronald Cantabile zijn leven op z’n kop zet, wordt hij als speelbal van allerlei partijen heen en weer geslingerd. Citrine blijkt een naïeve, ietwat labiele, opportunist. Toch komt er verlossing uit onverwachte hoek: na de dood van Von Humboldt Fleisher blijkt dat deze Citrine in zijn testament heeft vermeld. Het lijkt een dooie mus, maar niets blijkt minder waar.
In 1976 werd Bellow de Pulitzer Prijs voor Fictie toegekend voor Humboldt’s gift. Hij is de enige auteur die deze prijs drie keer won. Humboldt’s gift is gebaseerd op Bellows vriendschap met dichter Delmore Schwartz. Citrine staat voor Bellow, Von Humboldt Fleisher voor Schwartz. Het verhaal geeft een tijdsbeeld weer dat nu niet meer denkbaar is, waarin oudere kunstenaars de ene na de andere jonge blom verslinden, jonge vrouwen behandelen als wegwerpproducten; het ophemelen van de inmiddels verguisde pornofilm Deepthroat. Dat neemt niet weg dat ook vandaag de dag Humboldt’s gift nog altijd een meesterwerk is.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, juni 2025
Amitav Ghosh – Smoke and ashes € 16.95 (Nederlandse vertaling €26.99)
In Smoke and ashes geeft Amitav Ghosh een inkijkje in de duistere opiumhandel vanaf de zestiende eeuw. Zo was Nederland bijna een eeuw lang monopolist. De Engelsen wilden ook een stuk van de lucratieve taart en veroverden een groot deel (India). Daarbij mocht Nederland de handel in Nederlands-Indië blijven voeren. Beide landen zetten contractarbeiders in om het eindproduct te realiseren. Opiumgebruik werd onder de bevolking gestimuleerd omdat er zeer lucratieve winsten mee werden behaald – tot 4000x de kosten – en het als bijkomend voordeel had dat het de bevolking slaafs en suf maakte.
In tegenstelling tot het beeld dat heden ten dage vaak nog leeft van de Chinese opiumschuivers, en dus de oorsprong van het gebruik in China wordt gesitueerd, waren het de Engelsen die hun geraffineerde opium de Chinezen letterlijk door de strot duwden. In die jaren bedroegen de opbrengsten uit de opiumhandel tot 25% van het bruto nationaal product van Engeland, geld dat werd gebruikt om oorlogen mee te voeren en gekoloniseerde volken onder de duim te houden (om dezelfde redenen was Nederland zo gebrand op de opiumhandel). Juist in China kwam verzet tegen deze kwalijke praktijken door middel van importverboden, waarop de Engelsen reageerden met de eerste en decennia later de tweede opiumoorlog tegen het keizerrijk.
Ghosh legt de oorsprong van het kapitalisme bij de opiumhandel. Hij vermeldt veel vooral Engelse en Amerikaanse families voor wie opium aan de basis heeft gestaan van hun kapitaal en, daaraan verbonden, hun macht. Denk aan Franklin Delano Roosevelt (de Delano’s waren een machtige speler in de opiumhandel in de negentiende eeuw). Hij trekt de handelspraktijken, de gewiekste aanpak, door naar de huidige tijd met parallellen als Oxycodon (Purdue Pharma, de gebroeders Sackler). Nog steeds worden dergelijke praktijken getolereerd en in zekere zin gestimuleerd, omdat het regeringen geld oplevert én lastige zwakkeren in de samenleving onder het mom van ‘eigen verantwoordelijkheid’ uitschakelt.
In de Eerste Wereldoorlog werd opiumgebruik onder soldaten door hun respectievelijke regeringen gepromoot. Soldaten leden minder onder hun geestelijke en lichamelijke verwondingen en waren breder inzetbaar. Na WO-I keerden echter vele soldaten als verslaafden terug. Cynisch genoeg ontwikkelde de firma Bayer daar een medicijn tegen: heroïne. Dat zou helpen met afkicken. Bovendien was het ideaal voor vrouwen in de weken na de bevalling en werd het aanbevolen aan ouders om drukke (huil)baby’s te kalmeren. Ook hier werd dezelfde strategie gehanteerd als die van de eerste opiumhandelaren.
Meermaals legt Ghosh de link tussen de opiumhandel met de fossiele industrie. Eeuwen geleden al waren opiumhandelaren op de hoogte van de gevaren van het goedje. In de jaren zestig van de vorige eeuw waren oliebedrijven al op de hoogte van de kwalijke gevolgen voor het klimaat (nota bene aangetoond door hun eigen wetenschappers). Geldelijk gewin op korte termijn had toen én nu de overhand, niet alleen uit financieel oogmerk voor de bedrijven, maar ook voor de overheden.
Met Smoke and ashes geeft Ghosh een ontluisterend beeld van de totstandkoming van de wereld van zelfverrijking ten koste van alles, praktijken die ook in de huidige tijd eerder regel dan uitzondering zijn.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, juni 2025
Pieter Waterdrinker – Céline € 27.99
Parijs, eind september 2023. Anatoli ‘Tolja’ Chritov probeert krampachtig uit handen te blijven van … ja, van wie eigenlijk. Iemand die door Sjors van Kampen, voormalig BVD-er, eropuit is gestuurd? Van Kampen, die hem in Rusland had ingezet onder het alibi van zaadhandelaar? Die hem maandelijks een enorme som geld toestopte, terwijl Tolja nauwelijks besefte waarvoor hij werd beloond? Enigszins weemoedig denkt hij terug aan Terneuzen waar hij is opgegroeid als zoon van een Oekraïense kernfysicus en een Nederlandse schone. Ook de gruwelijkheden van de oorlog spelen hem parten, die “put van Vrouw Holle” waar hij in belandde en dan ook nog eens aan de Russische zijde.
“Maar wie had kunnen bevroeden, dat ik op een dag, als een toevallig vuiltje in slachthuiswater, willoos zou worden meegezogen in de kolkende put van de ondergang?”
Tolja is 42. Voordat hij in die oorlog werd meegezogen, werkte hij als vertaler, eerst van Franse 19e eeuwse essays, later van belangrijke Russische werken. Dat laatste hield na de brute inval in Oekraïne abrupt op: alles wat Russisch was, werd van de ene op de andere dag afgewezen in Nederland. Zijn emoties reageert hij af door te gokken en raakt verslaafd. Vanzelfsprekend verliest hij binnen de kortste keren zijn spaargeld, waarna de mysterieuze Van Kampen op zijn pad komt en zijn financiële problemen in een mum van tijd zijn opgelost. Dat hij het bijna met zijn leven heeft moeten bekopen, dat Van Kampen een deel van diens beloften niet heeft ingelost, drijft hem terug naar Amsterdam. En natuurlijk om zijn geliefde Zita weer in de armen te kunnen sluiten, om haar te vertellen over de dood gewaande Roman. Daar verneemt hij via een mysterieus telefoontje dat zijn geliefde is overleden, waarna hij vlucht naar Parijs.
Uit een loopgraaf heeft Tolja een katertje meegenomen, een blind en doofstom diertje; zijn “knul”. Als hij in een Parijse boekhandel het boekje Guerre van Louis-Ferdiand Céline ziet liggen, weet hij hoe hij het katje zal noemen: Céline. Hij smokkelt het mee in zijn hotelkamer. De zorg voor het diertje is wellicht de enige reden dat hij het volhoudt.
In Céline schakelt Waterdrinker van Parijs naar Terneuzen, van Amsterdam naar Moskou. Hij herhaalt gebeurtenissen die de locaties met elkaar verbinden. Meerdere thrilleraspecten heeft hij verweven in de roman, al worden die nauwelijks uitgewerkt. Te denken valt aan de dood van Zita, Van Kampen, het mysterieuze telefoontje: “Iemand die in dienst treedt van een vreemde krijgsmacht verliest niet automatisch het Nederlanderschap. Daarvoor moet er eerst sprake zijn van oorlogsmisdaden.” – heeft de AIVD misschien foto’s van zijn gedrag in de oorlog?
Waterdrinker heeft bewondering ‘voor schrijvers die dingen kunnen verzinnen’. In zijn werk verweeft hij altijd persoonlijke ervaringen en gebeurtenissen. Ook liefde speelt in ieder werk een rol. De liefde tussen Tolja en Zita is echter oppervlakkig in Céline. Áls er al sprake is van liefde, dan is het wel van de getraumatiseerde protagonist tot het katje, maar hier is eerder sprake van zorg. In tegenstelling tot schrijvers als Thomas Rosenboom of Gie Bogaert werkt Waterdrinker niet vanuit een gedetailleerd schema, maar komen de zinnen hem als het ware spontaan aanwaaien, hij schrijft voor de vuist weg. Moraliserend wil hij niet zijn, zoals hij op 25 mei 2025 bij boekhandel Donner vertelde. Maar is dat zo? In Céline blijkt zijn kritiek op ambtenaren die besluiten nemen met grote gevolgen voor de mensen die het betreft: “Na afloop van hun werk gaan ze wandelen”, terwijl zij hen naar het front sturen. Of zoals die opmerking over het verlies van Nederlanderschap. Ook het feit dat Tolja’s vaders diploma niet erkend wordt in Nederland (wellicht vanuit angst voor spionage). In een van zijn beste romans, Poubelle, stelt hij de hypocrisie van de EU ter sprake en vooral die van Frans Timmermans in zijn toespraak op het Maidanplein in 2014. In De rat van Amsterdam steekt hij zijn kritiek op de huidige maatschappij, en in het bijzonder de rol van Bernard van Oranje met zijn huisjesmelkerspraktijken, niet onder stoelen of banken. Dus als Waterdrinker zegt dat hij niet moraliserend schrijft, geloof hem op zijn woord, maar neem wel wat van zijn boodschappen mee. Afsluitend: Céline is een prachtige roman, met en zonder te moraliseren.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, mei 2025
Joost de Vries – Hogere machten € 24.99
In de eerste jaren van zijn leven groeit James Welmoed op op het platteland in Engeland, waar zijn grootouders paarden verzorgen voor de upper class. Op zijn achtste verhuist hij naar Nederland, waar hij een vreemde eend in de bijt is. Hij is een kop groter dan zijn klasgenootjes, die zijn naam uitspreken als Ja-mes. Als jonge volwassene wordt hij, net getrouwd, in Nederlands-Indië aangesteld als ambtenaar. Zijn Zwitserse vrouw Connie blijft achter in Nederland. In Indië moet hij de verschillende politieke stromingen in kaart brengen en rapporteren aan de regering in Nederland. Zo kruist zijdelings ook de progressieve De Stuw-groep zijn pad (zie De wraak van Diponegoro van Martin Bossenbroek). De familie Van Elzenburg, gesettelde Nederlanders die wonen op landgoed Klein Baarn, leert hij in Bandoeng kennen. De solitair levende, autonome Welmoed wordt direct ingepakt door de jonge doortastende dochter, Elizabeth.
“Dit toneelstuk. Haar arrogantie irriteerde hem mateloos, hoe ze hem nu aangrijnsde, hij wilde haar negeren, was jaloers op haar zelfvertrouwen, wilde het liefst ver uit haar buurt zijn, hij wilde haar naakt zien, vastpakken, optillen. Zo veel niet-literaire gevoelens, die adrenaline in zijn keel.”
De door de gemeenschap uitgekotste militair Hulst wordt een baken voor de jonge ambtenaar. Diens wandaden tegen revolutionaire gardes neemt Welmoed voor lief, voor diens homoseksuele uitspattingen sluit hij de ogen. Tot verbijstering van Hank van Elzenburg, vader van. “Waarde Welmoed, je moet je niet zo encanailleren.” Hulst zal hem tot aan het einde van zijn leven trouw blijven.
Elizabeth gaat in Engeland studeren en trouwt kunstschilder Julian Newman. Haar nieuwe man. Twee kinderen krijgt het paar, Pennie en Jason. Elizabeth legt zich toe op het schrijven van romans. Daartoe trekt zij zich met regelmaat terug in Parijs. Zij heeft succes. Vaderlief wordt op zeker moment de (Tweede Wereld)oorlog ingestuurd. In hoeverre heeft Welmoed daarmee te maken? De Vries goochelt met het hier en nu, met ‘stemmen’ die Elizabeth influisteren. Zo komt Simone de Beauvoir regelmatig aan het woord: “Voor de man is in de coïtus alleen een uitwendig orgaan betrokken, de vrouw wordt in haar innerlijk geraakt.”
Ondanks dat de twee ex-geliefden vaak mijlenver van elkaar verwijderd zijn, continenten-ver soms, kunnen zij elkaar niet loslaten. Bij iedere ontmoeting krijgt lust de overhand. Alhoewel? Het is veel meer dan dat, het is taking care, daar is geen betere Nederlandse uitdrukking voor. Dat dit zo zijn gevolgen heeft, weet De Vries knap te verhullen. En als het uiteindelijk toch misloopt voor een van hen, komt dat als een verrassing.
“Ontheemd stond ze daar, ontdaan van een geloof. Een bankier na de beurscrash.”
Hogere machten is geen tussendoortje, daarvoor moet je je te vaak verplaatsen in een ander personage en in een andere tijd en/of locatie. De beloning die je ervoor krijgt, is alleszins de moeite waard!
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, mei 2025
Martin Bossenbroek – De wraak van Diponegoro
Begin en einde van Nederlands-Indië €25.00
Historicus Martin Bossenbroek promoveerde in 1992 op het proefschrift Volk in Indië. Twee van zijn boeken werden bekroond met de Libris Geschiedenisprijs: De Boerenoorlog (2013) en De Zanzibardriehoek (2023). Zijn werk is in meerdere talen vertaald.
De wraak van Diponegoro behelst twee cruciale perioden in de geschiedenis van Nederlands-Indië. Allereerst de Java-oorlog (1825-1830), daarnaast de dekolonisatieoorlog (1945-1949). Vooral politieke besluiten en de gevolgen daarvan komen in beide delen aan bod. In het eerste deel via de biografieën van ‘pangeran’ Diponegoro, alias sultan Ngabdoelkamid, en van luitenant-generaal Hendrik Merkus de Kock. Als Diponegoro op Midden-Java in opstand komt, weet De Kock veel verzetscellen te breken. Hij ziet in dat te zijner tijd meer vrijheid – ook ten opzichte van hun vorsten – en ontwikkeling van de inwoners van Nederlands-Indië gewenst zijn om fellere opstanden te voorkomen. Uiteindelijk duren de onderhandelingen met de standvastige Diponegoro hem te lang en weet De Kock, nadat hij Diponegoro’s vertrouwen heeft weten te winnen, de dwarsligger op slinkse wijze in te rekenen. E. du Perron refereerde aan dit verraad in zijn boek Het land van herkomst: “…het geschonden erewoord van … opperchef baron De Kock.”
Huib van Mook werd in 1894 in Semarang geboren. Na het behalen van zijn staatsexamen gymnasium verhuisde hij voor studie naar Nederland. In eerste instantie werd dat Scheikunde aan de Technische Hogeschool in Delft. Die studie kon hem echter weinig boeien en hij stapte over naar Indologie in Leiden, op dat moment dé opleiding voor toekomstige bestuurders in Nederlands-Indië. Van Mook was voorstander van een progressieve Indonesische politiek en was in 1930 een van de oprichters van de zogenaamde Stuw-groep, een stroming die gouverneur-generaal De Jonge niet kon waarderen. De groep pleitte voor verbetering van de levensstandaard van de Javaanse bevolking en betere behandeling van politieke gevangenen. Nog voor de Japanse bezetting acteerde hij als diplomaat, daarna zowel in contacten met de Japanners als met de geallieerden, en vloog de halve wereld over. Nederlands-Indië, waar hij zijn gezin had achtergelaten, zag hij pas terug nadat de Japanners verslagen waren. Ondanks vele toezeggingen lieten diezelfde geallieerden hem in de steek nadat in Nederlands-Indië de vrijheidsstrijd was losgebroken. De bondgenoten achtten Australië van grotere strategische betekenis dan de eilandengroep en probeerden Nederland ervan te overtuigen Nederlands-Indië op te geven. Zelfs voor Multatuliaan Van Mook ging dat te ver. Java opgeven? Meewerken aan het Indonesische zelfbeschikkingsstreven was echter een absolute voorwaarde. De Haagse bekrompenheid, de conservatieve kijk van de Nederlandse regering die de situatie ter plaatse nauwelijks kon overzien, speelde Van Mook parten. Men had kritiek op zijn ontmoeting met Soekarno, een diplomatieke meesterzet die een soepele overgang naar meer vrijheid voor de Indonesische bevolking moest garanderen. Zonder steun vanuit Nederland, waar de onafhankelijkheidsstrijd van de Indonesiërs steeds meer kapitaal verslond, zag hij zijn goede bedoelingen in rook opgaan. Voor Soekarno was dat anders.
“Het was in essentie een gevecht om tijd. Soekarno’s grote tegenspeler Van Mook had vreselijke haast. De reactionaire planters briesten, legercommandant Spoor hijgde in zijn nek, de Hollandse schatkist raakte leeg.”
Van Mook bleef, zelfs na de Tweede Politionele Actie, geloven dat “wij Nederlanders en Indonesiërs tezamen, de kans hebben om iets te verrichten, dat groots genoemd mag worden en dat ook voor Zuid-Oost Azië een weg naar een betere toekomst kan openleggen,” zoals hij schreef in zijn in 1949 gepubliceerde werk Indonesië, Nederland en de wereld. Het was de laatste geloofsbelijdenis van de idealist Van Mook, die nog altijd vertrouwde op nauwe samenwerking, waarna Indonesië van alle landen de “meest belovende kansen” voor “een democratische ontwikkeling had”.
De rest is geschiedenis. Diponegoro wordt nog altijd als held beschouwd in Indonesië, “ook al vertoont zijn geestelijke nalatenschap veel meer overeenkomst met de sharia dan met de Pancasila”, de filosofische grondslag van Indonesië. Van Mook werd door generaal Spoor weggezet als betrokkene bij verraad, smokkel en zwendel, iets wat inmiddels is ontkracht.
Bossenbroek is een uitmuntend historicus die geschiedenis toegankelijk weet te maken én te duiden. Dat doet hij vooral vanuit politieke beweegredenen die tot die geschiedenis hebben geleid. Voor een completer beeld, met name van (de aanloop naar) de Indonesische vrijheidsstrijd, kun je Revolusi van David van Reybrouck raadplegen en tevens de Buru-tetralogie van Pramoedya Ananta Toer. Van Reybrouck belicht de vrijheidsstrijd en de gevolgen ervan door middel van persoonlijke geschiedenissen rond de periode halverwege de vorige eeuw. De delen van de Buru-tetralogie, met als eerste Aarde der mensen, spelen in de koloniale tijd van begin twintigste eeuw tot aan de bloei van de onafhankelijkheidsbeweging (1898-1918), waarin juist de ontwikkelingen van binnenuit, vanuit de inwoners van Nederlands-Indië, worden beschreven. De serie dankt haar naam aan het gevangeniseiland Buru waar Pramoedya het werk heeft geschreven.
Voor deze bespreking is mede gebruikgemaakt van Wikipedia.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, april 2025
Bert Natter – Aan het einde van de oorlog € 29.99
20 april 1945, ergens ten noorden van Berlijn. Een vernietigingskamp. In theorie onder leiding van SS-Sturmbahnführer Hanns Schreiber (36), in de praktijk voert SS-Obersturmführer Karl Zehlendorf (40) de regie. Deze plaatsvervangend kampcommandant is speciaal aangesteld als leider van het vergassingsprogramma. In het oosten heeft hij zich al bewezen in die rol. Samen met zijn vrouw Christine (36) en hun zoons Reinhart (15) en Ernst (11) bewonen zij een villa aan de rand van het kamp. Vrouwlief is een verwend nest, Reinhart een egocentrische streber en Ernst een zachtaardige jongen. Laat nu net die laatste vermist raken.
Carrière maken is het streven van Karl geweest nadat hij als conservatoriumstudent is gesneefd. De SS is daartoe het juiste vehikel. Met zijn gezin heeft hij zich nauwelijks ooit bemoeid, van een band met zijn jongens is geen sprake. Zijn meedogenloze gedrag – hij doodt mensen te pas en te onpas, stuurt duizenden per dag de gaskamer in – staat in schril contrast met zijn handelen als het eenmaal tot hem is doorgedrongen dat Ernst daadwerkelijk zoek is. De wereld is te klein en het gehele kamp wordt opgedragen de jongen te gaan zoeken. Enerzijds stuurt hij tienduizenden de dood in, anderzijds moet alles wijken voor één leven. Allerlei individuen, zowel SS-ers als Joden, hebben de jongen gezien, ze hebben hem soms zelfs gemaand op zijn schreden terug te keren. Niemand kent echter het gehele verhaal (behalve wij, lezers, vanaf een kwart van het boek), allen hebben slechts een stukje van de puzzel. Niemand rept daarover, omdat zij niet beseffen dat hun informatie van enig belang kan zijn en ook omdat zij geen kans krijgen hun informatie met de Obersturmführer te delen. Tenslotte is men bang voor hem vanwege zijn onvoorspelbare gedrag.
Aan het einde van de oorlog speelt zich af in 24 uur en begint op de 56e verjaardag van de Führer. Ter ere van die verjaardag is er een feestje, waar Zehlendorf als pianist zal optreden. Hij is een groot fan van Van Beethoven, niets of niemand mag hem dit moment ontnemen. Ook daarom lukt het niet hem in te lichten over de vermissing van zijn jongste zoon. Vanuit het oosten rukken Wit-Russische troepen in ijltempo op. De SS-staf beseft dat het einde nabij is, maar wil die gedachte niet toelaten. Erover spreken is taboe, daarop staat de doodstraf. Wel zet men alles op alles om de bewijzen van de vernietigingsmachine weg te werken, terwijl de dagelijkse routine zoveel als enigszins mogelijk is doorgang moet vinden.
Natter heeft een gedurfd boek geschreven. Het begint met een plattegrond van het kamp (nuttig). Daarna volgen er vier pagina’s met namen, leeftijd en korte beschrijving van alle personages. Vervolgens komen vanaf pagina 17 tot en met het einde, 634, al die personages aan het woord, inclusief de locatie waar zij zich bevinden. Voor het gevoel is elke minuut van iedere kampbewoner minutieus weergegeven. Hoe krijgt Natter het voor elkaar om na onze (lezers) ontdekking van Ernsts tragische lot ons toch te blijven boeien? Is het omdat ook wij die puzzelstukjes nu eens als een geheel willen zien? Is het vanwege de empathie die wij met verschillende personages hebben gekregen? Kunnen we niet genoeg krijgen van de gruweldaden van Eva of het liefdevolle werk van verpleegster Johanna? Het is Natter gelukt, bij ieder personage kruip je in de huid van de betreffende persoon. Het is ongelooflijk knap hoe hij alle 31 personages een eigen stem geeft, hen handelingen laat uitvoeren die perfect passen bij het betreffende karakter. Vanuit 31 verschillende perspectieven het verhaal te vertellen en daar nergens een misser in te maken.
Met Aan het einde van de oorlog heeft Natter een bewonderenswaardige roman geschreven die alle te winnen prijzen meer dan verdient. Mijn boek signeerde hij met de opdracht “Lang leve Beethoven!”
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, april 2025
Claire Keegan – Small Things Like These € 14,95
Nederlandse editie: Dit soort kleinigheden € 17,99
Bill Furlong is opgegroeid als enig kind van een dienstmeisje bij de (rijke) weduwe Wilson. De vader van de jongen is onbekend en hoe hij ook navraag doet, niemand kan hem uitsluitsel geven. Is de man vanuit economische motieven vertrokken naar Engeland? Bill is nog maar twaalf jaar oud als zijn moeder overlijdt. De weduwe neemt de tiener onder haar hoede, evenals knecht Ned.
In 1985 heeft Bill inmiddels een florerend eigen bedrijfje opgezet, al betekent dat dag en nacht werken. Hij handelt in brandstoffen, waaronder kolen. Met name in die koude winter zijn de bestellingen niet aan te slepen. Hij is getrouwd met Eileen en zij hebben vijf dochters. Als hij in de week voor kerstmis een grote partij van de beste kolen aflevert bij het plaatselijke klooster, komt hij tot een onrustbarende ontdekking. Daarbij wordt hij voor een dilemma gesteld: grijpt hij in of laat hij de boel passeren?
Small Things Like These handelt over de beruchte Magdalen laundries, de praktijk dat lastige jonge vrouwen en ongehuwde meisjes die zwanger raakten in nonnenkloosters werden weggestopt. Gedurende de vorige eeuw was de macht van de katholieke kerk in Ierland nagenoeg onbeperkt. Ondanks dat de Ierse overheid (deels) op de hoogte was van de misdadige praktijken, kneep zij een oogje toe. Dergelijke meisjes waren tenslotte een schande voor de familie en vaak kraaide er geen haan naar hun verdwijning. Kinderen die in het klooster werden geboren, werden ter adoptie afgestaan, zonder dat de moederwasvrouwen ervan op de hoogte werden gesteld. Ook werden tientallen tot honderdtallen baby’s om het leven gebracht. Pas in 1996 kwam er een einde aan deze verderfelijke praktijken. Terecht stond Small Things Like These op de shortlist van de Booker Prize 2022. Ondanks de gruwelijke realiteit, die op relatief beschouwende toon wordt verteld, is deze novelle een aanrader. Als titel was They’re all the one (pagina 106) wellicht passender geweest. Het is jammer dat de crux van het verhaal – het misbruik door de katholieke kerk – slechts circa 75 pagina’s beslaat. Dat deel had meer uitgesponnen kunnen worden, waardoor het aan kracht wint. Gezien het open einde, is er in ieder geval ruimte voor een vervolg.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, april 2025
Alan Murrin – The Coast Road € 22.95
Inleiding tot het Ierland van zo’n dertig jaar geleden
Tot in de 21e eeuw is Ierland een van de meest katholieke landen binnen de Europese Unie. De katholieke kerk heeft eeuwenlang censuur toegepast op alles wat de kerk niet welgevallig was en dat vastgelegd in een lijst, de Index Librorum Prohibitorum (lijst van verboden boeken). Boekverboden werden aanzienlijk verminderd toen in 1966 niet langer de Index Librorum Prohibitorum werd gehanteerd. Vanaf dat moment werd een verbod vastgesteld voor 12 jaar en na het verstrijken van die termijn opnieuw beoordeeld. In 2010 werd de laatste reeks boekverboden beëindigd.
Moraal
Ook op het moraal drukte de Ierse overheid haar stempel. Tot begin jaren negentig was het niet toegestaan om op welke manier dan ook over abortus te praten, inclusief het verstrekken van onpartijdige informatie, en elke publicatie met informatie over de medische behandeling werd in beslag genomen. Pas in 1992 werd het verbod opgeheven.
Op grond van de Ierse grondwet van 1937 was blasfemie verboden. Dat verbod was echter alleen van toepassing op het christendom. In 1999 werd het verbod in die vorm onverenigbaar verklaard met de religieuze gelijkheid in de grondwet. Omdat de regering destijds oordeelde dat een referendum uitsluitend voor dat doel tijd- en geldverspilling zou zijn, werd pas op 26 oktober 2018 een grondwetswijziging goedgekeurd (64,85% voor en 35,15% tegen).
Volgens diezelfde grondwet uit 1937 was echtscheiding verboden. Een grondwetsherziening was noodzakelijk voor het toestaan van echtscheiding. Bij een referendum in 1986 bleek circa twee derde van de kiezers nog vast te willen houden aan het grondwettelijke verbod. Bij een nieuw referendum in 1995 stemde een nipte meerderheid van 50,28% tegen 49,72% vóór afschaffing van het verbod op echtscheiding.
Het verhaal
The Coast Road zoomt in op twee vrouwen in een dorpje in het graafschap Donegal. Het is 1994. Izzy Keaveney is een huisvrouw. Zij is moeder in een traditioneel gezin waarin de man alles bepaalt (tot zijn openlijk overspel toe). Colette Crowley is een dichter die man en kinderen heeft verlaten voor een oudere, getrouwde man in Dublin. Aangezien de man niet kan scheiden, kiest de geëmancipeerde Colette eieren voor haar geld en keert terug naar het dorp waar zij man en kinderen heeft achtergelaten. Haar officiële echtgenoot laat haar echter niet meer toe in het gezin en verbiedt haar omgang met hun kinderen.
Izzy zit opgesloten in haar vastgelopen huwelijk en put kracht uit het doorzettingsvermogen van Colette. Zij vormt een brug tussen de dichter en haar jongste zoon. De vriendschap die zich tussen beide vrouwen ontwikkelt, leidt tot een tragedie voor de een en vrijheid voor de ander.
The Coast Road verhaalt over de emancipatiestrijd die vrouwen in het Ierland van slechts enkele decennia geleden hebben gevoerd. Murrins werk wordt vergeleken met dat van Claire Keegan, Elizabeth Strout en Colm Tóibín. Het is misschien wel het beste boek dat in 2024 in het Engels is verschenen.
(met dank aan René Broekhuijzen voor de nodige informatie over Ierland)
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, maart 2025
Gerwin van der Werf – De krater
Ieder jaar is het afwachten met welk Boekenweekgeschenk het CPNB komt. Zelden staat kwaliteit voorop, veeleer wordt gekeken welke uitgeverij ‘aan de beurt’ is en of de auteur in kwestie al een schare fans heeft, want goed voor de boekverkoop. Dan kiest het CPNB een ‘veilig’ auteur. Dit jaar werd er echter een prijsvraag uitgeschreven conform de werkwijze tot media vorige eeuw: deelnemers sturen hun werk ‘anoniem’ in, ofwel de jury kan niet zien wie wat heeft geschreven. Er waren 149 inzendingen in 2025. Dat het beste verhaal moge winnen. Het werd Gerwin van der Werf met zijn novelle De krater.
De zestienjarige Eden en haar twee tienerbroers groeien op met hun moeder en – vervelende – stiefvader nadat papa onder een trein is gekomen (“zijn eigen keuze”). De jongste van het stel, Benjamin, leidt aan depressies. De jongen is wild van sterrenstelsels, meteorieten en de interstellaire ruimte. Om Benjamin uit zijn depressie te verlossen, besluit Eden haar oudere broer Johnny in te schakelen. Tenslotte heeft de twintigjarige een rijbewijs en – niet onbelangrijk – een oud barrel van een auto. Samen met Benjamin gaan zij op zoek naar de meteorietkrater die zich ergens in Duitsland moet bevinden. De drie totaal verschillende jongeren – de depressieve Benjamin, de nuchtere Eden en kleptomaan Johnny – garanderen een interessante tocht, waarbij Van der Werf de toon van ieders stem sterk weet te vatten.
“De dood van de vader is de meteoriet die de krater heeft geslagen,” merkte Lotje IJzermans op in VPRO’s Boeken.
Gerwin van der Werf was als jongetje bang voor een inslag van een meteoriet. Hij verdiepte zich al op jonge leeftijd in de interstellaire ruimte. Tegelijk met zijn ervaringen op school – hij is deeltijd muziekleraar aan een internationale school – heeft hij die fascinatie verenigd in die depressieve tienerjongen. Zoals in al zijn boeken is ook De krater doorspekt met humor. Johnny, bijvoorbeeld, die de kinderen ten gevolge van zijn opmerkelijke fetisj keer op keer in een lastig parket brengt. En zo ontvouwt zich een heerlijke roadnovel. Met De krater heeft Gerwin van der Werf een mooi Geschenk geschreven.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, februari 2025
Vic van de Reijt – Elsschot. Leven en werken van Alfons de Ridder € 21.99
Willem Elsschot (1882; pseudoniem van de Vlaamse Alfons de Ridder) is vooral bekend vanwege zijn boeken. Bovenal was hij echter een gewiekste reclameman. Hij is uiterst bedreven in het bespelen van potentiële klanten en verwerft een groot deel van zijn kapitaal via het uitbaten van de reclamepanelen op treinstations en de uitgave van catalogi en jaarboeken.
Al vanaf zijn kinderjaren brengt Alfons de Ridder zijn vakanties door in Westerlo ten zuidwesten van Antwerpen. Een van zijn meest geliefde bestemmingen is het Helschot, een moerasachtig bosgebied tussen de gemeenten Westerlo en Veerle, in de volksmond Elschot genaamd. Als hij negentien jaar is, raakt zijn vriendin Josephine (Fine) zwanger en wordt hun eerste zoon Walter geboren. Elsschot studeert op dat moment aan de Handelshogeschool (Institut Supérieur de Commerce de l’État). In die jaren wijdt hij zich met regelmaat aan de poëzie, waarin (zijn) moeder een centrale plaats inneemt. Pas later, als hij gestationeerd is in Parijs, schrijft hij zijn eerste roman, Villa des Roses (1913), geïnspireerd op de bewoners van het pension waar hij in die tijd leeft. Veel van zijn werk is gebaseerd op het wel en wee in zijn omgeving. Zo is Lijmen (1923) gebaseerd op het ‘lijmen’ – stroop om de mond smeren – van potentiële adverteerders. Naar eigen zeggen brengt hij de gelukkigste jaren van zijn leven door in Rotterdam als hij bij de Schiedamse scheepswerf Gusto in dienst is (1908-1911). Daar ook ontdekt hij de schrijver in zichzelf. Fons is een familieman als het hem zo uitkomt. Vaak is hij buiten kantoortijden op stap met zijn literaire vrienden. Toch zal hij tot aan zijn dood in 1960 zijn kinderen de hand boven het hoofd houden en (financieel) ondersteunen waar nodig.
Vic van de Reijt beschrijft de ontstaansgeschiedenis van vele werken van Elsschot. Daarbij heeft hij rijkelijk geput uit familiearchieven en eerdere biografieën. In Elsschot – Leven en werken van Alfons de Ridder zijn facsimile opgenomen van correspondentie en van eerste handgeschreven pagina’s van manuscripten. Tevens is een aantal gedichten opgenomen en is voorzien in katernen met historisch beeldmateriaal. Uit dit standaardwerk over de Vlaamse schrijver valt op te maken dat Fons de Ridder een rasechte opportunist was. Overigens zal hem dat uiteindelijk bezuren en het einde van zijn schrijverschap betekenen.
In de oorlogsjaren wist de auteur goed voor zijn gezin te zorgen. Of het sympathiek is 11.000 kilogram antracietkolen en vele honderden kilogrammen van allerlei soorten voedsel te hamsteren als de oorlog de stadsgrenzen nadert, kun je je echter afvragen. Als De Ridder zich los wil weken van het uiterst succesvolle driemanschap waartoe hij sinds jaren behoort, komt de straatvechter in hem naar boven. Je kon maar beter op goede voet met hem verkeren.
Aan het einde van zijn leven liet hij zich aan intimi ontvallen dat hij maar op twee van zijn werken trots was: zijn studentenlied over de ‘Schele Verlinde’ en het Bormsgedicht. Inmiddels weten wij wel beter! Met Elsschot – Leven en werken van Alfons de Ridder heeft Van de Reijt een biografie geschreven die in geen boekenkast van liefhebbers van zijn werk mag ontbreken.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, februari 2025
Karl Mantes – De Rivier € 27.99
Aan het begin van de twintigste eeuw, heeft ook Finland te lijden onder de Russische revolutie. Er heerst armoede en repressie. Vanwege de uitzichtloosheid van hun situatie besluit Ilmari, de oudste zoon van het gezin Koski, naar het zuiden van Washington te emigreren waar hij als houthakker in dienst zal treden in Tapiola, aan de oever van Deep River. De jongen wordt sinds zijn jeugd bezocht door geesten die van hem een godvruchtig man hebben gemaakt. Aino, zijn jongere zusje, raakt als jonge tiener overtuigd van het communisme maar moet uiteindelijk Finland ontvluchten. Zij zet koers naar haar broer in de Verenigde Staten. Daar maakt zij kennis met de harde wereld van de houthakkers die worden uitgebuit door vermogende houtvesters. Kolossale oerbossen worden ontdaan van honderd meter hoge bomen. Het werk is gevaarlijk en eist regelmatig een leven. In de houthakkerskampen wordt Aino gesterkt in haar ideeën dat alleen door middel van een revolutie deze ultrakapitalistische maatschappij, waar mensen dienen als productiemiddel, kan worden gemoderniseerd. Het duurt dan ook niet lang voordat zij de eerste stakingen weet te organiseren. Dit tot afgrijzen van Ilmari, die inmiddels in Tapiola een kerk heeft gesticht.
Matti sluit zich jaren later aan bij zijn broer en zus. Deze rebelse geest weet zich in de rauwe houthakkersgemeenschap op te werken en richt na een aantal jaren zelfs zijn eigen houtvesterij op. Na een steekincident is de trotse Fin echter genoopt te vluchten. Daarna lijdt hij zijn leven als vogelvrije, voortvluchtig in de bossen. Toch duurt het niet lang voordat hij grote welstand bereikt.
Marlantes beschrijft gedetailleerd de houtkap en de mini-maatschappij die er heerst op de houtvesterijen. Van de dikste kabel tot de kleinste zaag, je kunt het proces geheel volgen. Helaas duikt die ‘handleiding’ (te) vaak op, waardoor het kan irriteren.
De drie protagonisten zijn sterk uiteenlopende karakters: de godvruchtige Ilmari, de maatschappelijk bevlogen Aino en de rebelse Matti. Het is onontkoombaar dat hun drie levens elkaar blijven kruisen. De ene keer blijkt dat de redding voor (vooral) Aino of Matti, de andere keer leidt het tot onderlinge spanningen. De Rivier (oorspronkelijke titel Deep River) is opgezet volgens de traditie van de great American novel. Marlantes had er goed aan gedaan een paar honderd pagina’s over de houtindustrie te kappen. Bovendien laat de redactie van het bijna 800 pagina’s dikke boek te wensen over, iets wat de laatste tijd vaker het geval is bij uitgeverij Meulenhoff. Missers als onderstaande heb ik echter niet eerder gezien:
“De volgende ochtend pakte Aino haar weekendtas toen het nog donker was. … Ze keek toe terwijl Alma de kommen voor de kinderen op tafel zette, met de lepels ernaast.” Let op: het is vroeg in de morgen, de kinderen liggen nog op bed. De volgende zin sluit op de vorige aan: “Ze zouden door het donker naar de school in Tapiola liepen. Zodra ze thuiskwamen, hielpen de meisjes…”
Het is duidelijk dat hier tekst ontbreekt, en wel de hele schooldag van de meisjes, die op andere plaatsen gedetailleerd beschreven wordt. Zijn hier slechts enkele zinnen verloren gegaan? Een hele alinea of misschien wel een pagina? Met deze uitgave doet uitgeverij Meulenhoff de auteur ernstig tekort en dat is jammer, want ondanks de bezwaren is De Rivier een prachtig familieverhaal in de context van de fysieke, sociale en economische aspecten van zo’n honderd jaar geleden in een grotendeels onontgonnen omgeving.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, februari 2025
Louis Begley – Wartime Lies € 14,95 (Penguin)
De Joodse auteur Louis Begley werd in 1933 geboren in Stryj, in het toenmalige Polen. Tegenwoordig behoort het bij Oekraïne. Hij was de zoon van een vooraanstaand arts en groeide de eerste jaren van zijn jeugd op in weelde. De situatie veranderde nadat de Russen vanwege het Molotov-Ribbentroppact Polen waren binnengetrokken. Zijn vader, David Begleiter, werd in 1941 geïnterneerd in een gevangenkamp in Oezbekistan. Vervolgens trokken de nazi’s Polen binnen, die de Russen terugdrongen. De semi-autobiografische roman ‘Wartime Lies’ (1991) was Begley’s debuut, waarmee hij belangrijke internationale prijzen in de wacht sleepte.
Het verhaal
Het leven lacht de jonge Joodse Maciek (1933) toe. Als zijn vader wordt afgevoerd naar Rusland en de nazi’s daarna Polen veroveren, is de jongen echter getuige van pogroms die plaatsvinden: er wordt op Joden gejaagd, ouderen worden op straat doodgeschopt of -geslagen, voor kinderen heeft men evenmin mededogen. De katholieke Poolse bevolking juicht de komst van de Duitsers toe en neemt enthousiast deel aan de jacht op hun voormalige buren. Zijn beeldschone tante Tania neemt Maciek onder haar hoede en zij duiken onder.
“Her body could never be close enough to mine; she was the fortress against danger and the well of all comfort…”
Dankzij hun enigszins Arische uiterlijk, weet Tania valse persoonsbewijzen te organiseren, waarin zij doorgaan als katholieke Polen. Voortaan gaat Maciek door het leven onder de meer Poolse naam Janek. In plaats van een eigen kamer in de luxe woning van zijn ouders slapen hij en Tania in achterkamertjes van huizen zonder enige vorm van sanitair. Ten gevolge van Tania’s good looks, voorkomendheid en uitstekende talenkennis verbetert hun positie periodiek, bijvoorbeeld dankzij de vriendelijke Duitser Reinhard (die dat met zijn leven moet bekopen). De elfjarige Janek wordt in die tijd (on)regelmatig onderwezen door verschillende vrouwelijke passanten aan wiens borst hij zich graag warmt, ook letterlijk.
Op zoek naar Macieks/Janeks grootvader reizen zij door het land en glippen de twee iedere keer door de mazen van het net, maar op zeker moment komen zij er niet onderuit zich daadwerkelijk als katholieken te gedragen. Als Janek van de priester verneemt dat eenieder die zich niet aan de tien geboden houdt in de hel zal belanden, raakt hij in totale verwarring, in conflict met zichzelf. Tenslotte is hij een fraudeur.
Vanaf de tijd dat de Duitsers meer weerstand aan het Oostfront ondervinden, treden zij nog repressiever op. Om het minste of geringste word je opgepakt, hele massa’s mensen worden weggevoerd. De begeleiding van die transporten en de bewaking worden overgelaten aan Oekraïners. Dat zijn werkelijk beesten die gruwelijke lijfstraffen uitdelen en naar willekeur vrouwen verkrachten. Sadisme lijkt uitgevonden door die lui.
In het voorjaar van 1945 wordt Polen bevrijd door de Russen. De voorste troepen zijn berucht om hun wandaden. Nadat de oorlog is beëindigd is er allesbehalve sprake van vrijheid: nu storten de katholieke Polen zich op de Joden die de gruwelen hebben overleefd. Opnieuw zijn er pogroms en moeten Maciek en Tania vrezen voor hun leven.
Nawoord
In werkelijkheid ondernam Begley de barre tocht met zijn moeder in plaats van met zijn tante. In 1946 vluchtte het gezin – illegaal – naar de VS, waar Begley in 1954 afstudeerde aan Harvard. In het nawoord beargumenteert de auteur waarom je ‘Wartime Lies’ niet als autobiografie moet zien, ook al is de roman gebaseerd op historische feiten en persoonlijke ervaringen. ‘Wartime Lies’ is een verhaal dat iedereen zou moeten lezen.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, januari 2025
Marcel Möring – Mordechai € 27.50
Marcel Möring debuteerde in 1990 met Mendels erfenis. Op zijn zevende vernam hij van zijn ouders dat hij joods was, iets wat men na WO-II zorgvuldig vermeed te vermelden. Je wist maar nooit. Niets wil(de) Möring met zijn joodse wortels te maken hebben, daarom gaf hij protagonist Mendel de achternaam Adenauer (eerste bondskanselier van de Duitse Bondsrepubliek). Hij hield zichzelf voor de gek, want ‘Adenhauer’ was onbewust (?) geënt op het joodse woord ‘Adonai’, ‘Heer’ of ‘Mijn Heer’ uit de Thora. Ook zijn werk na het debuut wordt gekarakteriseerd door joodse protagonisten, ‘wandelende joden’, die nergens hun thuis kunnen vinden. Inmiddels heeft Möring circa vijftien novelles/romans geschreven.
Mordechai zou zomaar kunnen passen in de trilogie Dis (2006), Louteringsberg (2011) en Eden (2016), waarin ‘de wandelende jood’ een prominente rol speelt. Altijd op zoek naar een thuis, een verschijnsel dat de auteur – inmiddels naar volle tevredenheid wonend in het Friese Beesterzwaag, “omdat daar nooit iets gebeurt en er van cultuur geen sprake is” – kenmerkt.
Mordechai, uit het Bijbelse boek Esther, adviseerde Esther haar joodse afkomst te verloochenen. In zijn laatste roman getuigt ook Möring daarvan: protagonist Mordechai, een bestsellerschrijver, wil niets met het joodse geloof, zijn joodse achtergrond te maken hebben, al put hij rijkelijk uit het eeuwenoude archief van zijn familie (“een oeuvre gebouwd op lulverhalen”). Het is dan ook bijzonder hoe deze man in de eerste – prachtige! – zin van het boek wordt geïntroduceerd:
“Toen Mordechai Gompertz zijn interviewer buiten westen sloeg, was hij tweeënzeventig jaar oud en bevond hij zich op het toppunt van zijn roem. Hij was een haarbreedte verwijderd van de Nobelprijs – en die zou hij waarschijnlijk allang hebben gekregen als hij niet zoveel over joden en zo weinig over politiek had geschreven – hij bezat…” et cetera.
Hierin schuilt direct een van de kritiekpunten met betrekking tot de huidige literaire wereld in Nederland: (nieuwe) auteurs schrijven over het hier en nu, houden zich bezig met de waan van de dag. Möring moet er niets van hebben. Ook het doorgeslagen wokisme heeft hem tot drastische besluiten bewogen: van zijn (huis)uitgeverij De Bezige Bij is hij overgestapt naar Mai Spijkers’ uitgeverij Prometheus. Bij De Bezige Bij weigerde men het manuscript van Mordechai als de auteur het n-woord niet zou vervangen of schrappen. Dat zou echter te gek voor woorden zijn. Hoe geloofwaardig is een dialoog nog als in de zestiger jaren van de vorige eeuw niet gesproken wordt over “ik ga niet naar die negers” wanneer Mordechai een liefje voorstelt een optreden van zwarte jazzmusici te bezoeken?
De crux van Mordechai is de ultieme zoektocht naar vrijheid, naar onafhankelijkheid. Daarbij karakteriseerde Louise Fresco het boek bij de presentatie in Donner (Rotterdam) uitstekend door te vertellen dat het een caleidoscoop is, iedere keer word je in een volgende scène, vaak in een andere tijd, gekatapulteerd. Het is een ‘zwaar’ boek, zoals zij terecht opmerkte; anderzijds zijn de erotische scènes – het zijn er vele en prachtig geschreven – momenten van ontlading. Het spiegeleffect speelt door de gehele roman heen: Mordechai die onafhankelijk wil zijn, zich aan niemand wil binden, maar op oudere leeftijd vooral ‘zijn’ Klara Persson mist. Wat zou hij graag met haar samen zijn geweest.
In het boek laat Möring de uitgever van Mordechais werk zeggen:
“Voor de lezers ben jij de man van dikke boeken, over wandelende Joden.”
En verdomd als het niet waar is (Marcel).
Op de vraag van interviewer Onno Blom of hij nu niet zo’n beetje alles heeft gezegd wat hij te vertellen heeft, antwoordde de auteur dat hij met nieuw werk bezig is. Zou het kunnen dat de protagonist van dat werk een katholiek is? Het kan bijna niet anders na de weddenschap die Mordechai sluit met Umberto Eco: de laatste gaat een roman met joden schrijven, Mordechai zal een katholiek als hoofdpersoon nemen. Marcel Möring heeft met Mordechai (weer) een prachtige roman geschreven!
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, januari 2025
Jeroen Windmeijer – De wraak van Balthasar € 24.99
Aan het begin van een rondleiding door Delft doet stadgids Victor van Atten een schokkende ontdekking die de komende maand zijn leven zal bepalen. Het wordt de eerste zaak van Afghanistan-veteraan Bobbi Meijer. Zij krijgt als rechercheur de leiding over het onderzoeksteam. De vermoorde vrouw, waar alles mee begint, heeft een briefje in haar hand dat verwijst naar een tekst uit de Bijbel, de katholieke welteverstaan. Iedere twee dagen erna vindt een nieuwe moord plaats, steeds gruwelijker blijken de slachtoffers verminkt, allemaal zijn de lijken – of delen die ervan resten – voorzien van een nieuw briefje. De boodschappen bevatten telkens weer een verwijzing naar een Bijbeltekst. Victor legt een link met het verleden van Delft, waarbij de naam Balthasar Gerards al snel de enige aanwijzing is die het onderzoeksteam wat houvast geeft.
Historicus Jeroen Windmeijer laat een van zijn personages zeggen: “Er zijn altijd drie kanten aan een verhaal: jouw kant, de mijne en de waarheid.” Terloops ontkracht de auteur bepaalde mythes die ons overgeleverd zijn via geschiedenislessen of de canon van ons verleden. In die zin is deze pageturner niet alleen spannend, maar ook buitengewoon leerzaam.
“Hoe meer je je in de geschiedenis verdiepte, hoe minder er van de bekende verhalen overbleef.”
De roman is geschreven vanuit verschillende perspectieven. Zoals het een goed geschreven whodunnit betaamt, zet Windmeijer je meermaals op het verkeerde been. Als je bijna zeker weet wie de seriemoordenaar is, duikt er ineens een ander op die waarschijnlijk toch de meest plausibele dader is. Ten slotte word je volledig verrast door de ontmaskering van de werkelijke dader.
Voor inwoners van Delft heeft De wraak van Balthasar extra glans: de auteur plaatst de gebeurtenissen in bestaande locaties, waar je bijvoorbeeld nog altijd kunt plaatsnemen voor een kop koffie of een (Delfts) biertje. De routes die de personages volgen kunnen leiden tot nieuwe stadswandelingen en de lezer onderdeel van dit spannende verhaal maken.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, januari 2025
Maartje Wortel – Camping € 24.99
Als Victorien een knobbeltje in de borst van haar vrouw Ode ontdekt, weet ze direct dat het mis is. Acht jaar zijn de twee samen, waarvan vier jaar getrouwd. In een melancholische bui vertrouwen zij elkaar hun persoonlijk diepste verlangen toe. Voor Ode is dat een eigen camping. Victorien laat er geen gras over groeien en besluit een camping over te nemen van twee zussen. Dat dit in een vloek en een zucht gebeurt – de overname is in enkele regels beklonken – doet de wenkbrauwen fronsen. Wat meer stoort: Ode is in rook opgegaan en komt in het verhaal niet meer voor. Waar was die introductie dan voor nodig?
De camping wordt bevolkt door allerlei types die zich daar vanuit verschillende motieven voor kortere of langere duur hebben gevestigd, bijvoorbeeld vanwege een schandaal dat hen boven het hoofd hangt (de beroemde trekzaktheoreticus Derek Waldorf), vanwege verplichte rust (Igor Sveralovskitsj, een corps marinier die aan PTSS lijdt), om snel geld te verdienen (Bilal, de ‘telefoonuitlater’), Hélène Cavalier (seksuele uitspattingen in paardrijkleding), de man die met baby het huis verlaat om zijn vrouw rust te gunnen (Wilson), een vrouw wiens cocaïnehandeltje in gevaar dreigt te komen (Martha) en een slachtoffer van een ambtelijke dwaling (Milla; toeslagenaffaire?). Daarnaast komen de twee zussen aan het woord, Dagmar en Dorus. Bij de verkoop hebben zij bedongen dat zij op de camping mogen blijven wonen. Ontstaan er in de eerste verhalen nog verbanden tussen de verschillende campinggasten, na Bilal raken die uit beeld en lijken de resterende personages een verhaal binnen het grote geheel, al zal Igor de persoonlijke beslommeringen aan het einde van Camping verenigen.
Komt bovenstaande wat rommelig over? Dat is het (boek) ook. Door de verhalen heen vlecht Wortel haar maatschappijkritiek: watervervuiling, roddeljournalistiek, de omgang met dieren, de behandeling van asielzoekers, de wachtlijsten in de zorg en katten die ‘voor hun plezier’ talloze vogels doden. Een beetje veel als niets van die problemen verder wordt uitgediept. Valt er dan niets te lachen? Jawel, de auteur serveert ook regelmatig zinnen of vondsten die een glimlach ontlokken:
“Het leven was te kort om zo weinig klaar te komen.” (de vrouw van Derek keurt zijn vreemdgaan goed)
“Hij zou telefoons gaan uitlaten in plaats van honden.” (Bilal ontdekt dat stappentellers voordelen bij de zorgverzekeraars opleveren)
Hélène Cavalier die “staan, zit, staan, zit” als een amazone Emilio berijdt.
Vanaf haar debuut, Dit is jouw huis, ben ik fan van Maartje Wortel en heb ik al haar boeken gelezen. Camping behoort niet tot haar beste.
Wilt u deze titel bestellen? Klik dan hier!
©Eus Wijnhoven, januari 2025

